E14 – FRANSE LITERATUUR IN DE ONDERBOUW

|

Lia Nijdam en Marja Rietveld – csg Bogerman, Sneek; Willem Lodewijk Gymnasium, Groningen – Nederland
(NEDERLANDS)

De nieuwe conceptkerndoelen voor de onderbouw bieden volop mogelijkheden om literatuur te behandelen in de onderbouw. Er is ruimte voor het lezen van fictie voor het onderdeel leesvaardigheid en literatuur biedt bij uitstek een rijk taalaanbod. Ook zou je het kunnen verbinden aan interculturele communicatie en taal- en cultuurbewustzijn. De praktijk is echter weerbarstig. Waar haal je interessante teksten met goede opdrachten vandaan en waar vind je er de (les)tijd voor? Het zou handig zijn om literaire bronnen te vervlechten met de lesstof. Maar hoe doe je dat? Welke literatuur is geschikt? Wat voor opdrachten kun je maken met fictieteksten? In deze workshop laten we een paar voorbeelden zien van literatuur in de onderbouw (klas 3).

Rupture de stock

Autres ateliers intéressants

  • D17 – LE QUÉBEC AU FIL DE L’HUMOUR

    Bernard Andrès – Université du Québec à Montréal – Canada (FRANÇAIS)

    Dès la Nouvelle-France, on observe chez les anciens Canadiens un rapport particulier à l’environnement physique et humain de la colonie : s’en distancier par le rire (parodies théâtrales, charivaris, déguisements condamnés par l’Église, etc.). Sous le régime anglais, après 1760, la presse et le théâtre prennent le relais de ces pratiques défiant la censure. Puis, les luttes parlementaires et les Rébellions des années 1830 exacerbent les manifestations de défis de l’autorité, notamment dans la presse satirique. Le Fantasque de Napoléon Aubin, la Lanterne canadienne d’Arthur Buies, les chroniques de Robertine Barry, mais aussi les romans satiriques du tournant du siècle. La guerre de 1914-1918 génère son lot de facéties chez les Poilus canadiens-français. Les revues burlesques introduisent le parler populaire sur les scènes, annonçant le succès du « joual » dans la dramaturgie et le roman québécois des années 1960-1970 (Michel Tremblay, Réjean Ducharme, Marie-Claire Blais, etc.). Le succès des monologuistes Yvan Deschamps et Marc Favreau sera relayé par de nouvelles générations d’humoristes sur les plateaux de TV, sur le Web et dans les festivals de l’humour (« Juste pour rire »), alors que l’École nationale de l’humour institutionnalise la formation dans le domaine, sous la maxime « On ne plaisante pas avec l’humour » (https://youtu.be/akLwmrfdcJM).

  • C03 – ONZE ONDERWIJSKEUZES GEÏNSPIREERD DOOR DE THEORIE

    Audrey Rousse-Malpat – Rijksuniversiteit Groningen – Nederland (NEDERLANDS)

    “Het idee dat wat we onderwijzen ook precies is wat leerlingen leren — en op het moment dat we het aanbieden — is niet alleen simplistisch, het is onjuist.” (Michael Long). Dit citaat van een bekende taalonderzoeker benadrukt dat effectieve taaldidactiek gebaseerd moet zijn op een goed begrip van de cognitieve processen achter taalverwerving. Met de opkomst van kunstmatige intelligentie beschikken studenten over krachtige hulpmiddelen. Toch heerst vaak het misverstand dat deze technologieën volstaan om een taal te leren. Onderzoek toont echter aan dat actieve inspanning en bewuste verwerking cruciaal zijn voor het ontwikkelen van diepgaand begrip en het vormen van complexe ideeën. Als taaldocenten richten we ons op de beste didactische methodes: hoe we taal en cultuur onderwijzen, hoe we lesinhoud structureren, hoe we toetsen. Maar wat als we het perspectief omdraaien? Wat als we eerst onderzoeken hoe mensen daadwerkelijk een taal leren, ook in tijden van AI? In deze masterclass verkennen we samen inzichten uit de neurolinguïstiek en psychologie die ons helpen om taalonderwijs effectiever en betekenisvoller te maken.