A13 – EEN KIJKJE IN DE CITO-KEUKEN

|

Youri Courtin en Eva Cornuijt – Cito – Nederland
(NEDERLANDS)

Hoe komt een centraal schriftelijk examen tot stand? Wie kiest de teksten? Wie maken er vragen bij? Hoeveel keer wordt er aan een examenvraag gesleuteld vooraleer deze in een examen verschijnt? Wie stelt de antwoorden in het correctievoorschrift op? En hoe zullen examenvorm en -inhoud mogelijk veranderen als gevolg van de vakvernieuwing? Tijdens dit atelier neemt u een kijkje in de Cito-keuken en krijgt u inzicht in de verschillende etappes in het huidige examenconstructieproces. Een toetsdeskundige van Cito laat u kennis maken met de werkwijze van examenmakers en benoemt de criteria die een rol spelen bij het kiezen en bewerken van examenmateriaal. Ook zult u een aantal concrete voorbeelden zien van de ontwikkeling van een examenvraag. Daarnaast passeert de vakvernieuwing de revue: op het moment van schrijven zijn de opdrachten voor de fase van beproeven aangeleverd. Dit materiaal verschilt op diverse punten sterk van het huidige centraal schriftelijk examen. Ten slotte kruipt u als deelnemer in de huid van een examenmaker en kunt u mogelijke bronnen ‘keuren’, waarna u zelf examenvragen bedenkt bij volgens u geschikt examenmateriaal.

En stock

Autres ateliers intéressants

  • C09 – LES ATOUTS DU FRANÇAIS AVEC AIM EN CLASSE 2 ET 3 !

    Janny Spreen – Project Frans; Zeven Linden College, Dedemsvaart – Nederland (NEDERLANDS)

    In deze workshop wordt ingegaan op het inzetten van AIM (Accelerative Integrated Methodology) in leerjaar 2 en 3. In leerjaar 1 is met het verhaal Les trois petits cochons of met het verhaal Salut, mon ami! een stevige basis gelegd. Het zou logisch zijn om met AIM in leerjaar 2 deze basis uit te bouwen met het vervolgverhaal Comment y aller? of met Veux-tu danser? en in leerjaar 3 met Qui arrive ce soir?, maar veel docenten weten niet goed wat het inzetten van deze verhalen beoogt te bereiken in de onderbouwklassen. Deze workshop geeft op meerdere vragen een antwoord, zoals welke woordenschat en grammatica worden aangeboden. Maar ook vragen als: Hoe wordt het spreken en schrijven gecontinueerd en uitgebouwd naar onafhankelijker en creatiever spreken en schrijven? Welke rol spelen de gebaren als ondersteunend hulpmiddel? Wordt dit (enigszins) afgebouwd? Hoe wordt de opgebouwde woordenschat uit leerjaar 1 herhaald? Hoe kun je alle vaardigheden efficiënt toetsen? Welke andere werkvormen komen aan bod? Ook wordt aandacht besteed aan het uitbouwen van steeds meer zelfstandig (samen)werken van leerlingen aan bepaalde taaltaken. Tenslotte wordt ingegaan op enkele speelse lesideeën ter afwisseling binnen het lesprogramma of ter aanvulling daarop.

  • D12 – UITSPRAAK VERBETEREN DOOR FORMATIEF HANDELEN

    Twan Geerts en Quinn Platje – HAN University of Applied Sciences, Nijmegen; Willem van Oranjecollege, Waalwijk – Nederland (NEDERLANDS)

    Uitspraak is vaak het ondergeschoven kindje in leergangen en in de toch al beperkte lestijd Frans. Vanuit communicatief oogpunt is het echter de verpakking van het product dat talige boodschap heet – un atout de communication: het is wat de luisteraar het eerst opvalt als er Frans gesproken wordt. Denk maar eens aan een willekeurige landgenoot die je “slecht” Engels of Frans hoort spreken: ligt dit aan diens grammaticale fouten en woordenschat, of aan diens onmiskenbaar Nederlandse uitspraak? In deze workshop laten we zien hoe studenten en leerlingen zelf succesfactoren kunnen bepalen voor een Franse uitspraak door uit te vinden waarom een goede uitspraak nu zo Frans klinkt. Ook kunnen zij hun eigen uitspraak opnemen, terugluisteren en daarna zichzelf en klasgenoten van feedback voorzien aan de hand van beoordelingscriteria van de docent. Op die manier worden ze zich bewust van hun eigen uitspraak en zijn ze in staat om deze zelf te verbeteren.